Spring naar inhoud

Categorie: Presentaties

Geschiedenis van het onderwijs in Harreveld

Tot begin 19e eeuw wordt er eigenlijk vooral door paters en pastoors onderwijs gegeven aan de hereboeren. Overigens alleen in de wintermaanden. In de zomer is men te druk op het land!

Rond 1800 wordt er door Reinder Kronenborg onderwijs gegeven in Harreveld in een klein schooltje nabij de boerderij van de familie Ten Have-Steegers aan de beek. Reinder was opgeleid door paters en gaf alleen in de wintermaanden onderricht in lezen, schrijven en cijferen. Behalve onderwijzer was Reinder ook landbouwer, slachter en timmerman.

In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt in Zieuwent een openbare lagere school gebouwd. Veel Harreveldse kinderen gaan daar naar school. In 1888 zijn dat er ruim 60, aanleiding voor enkele Harreveldse ingezetenen om bij de gemeente een verzoek in te dienen om in Harreveld zelf een openbare lagere school te mogen starten. Dit verzoek wordt in eerste instantie afgewezen, o.a. omdat het dorp niet eens een eigen pastoor heeft! Een jaar later echter wordt door de raad toch besloten in het dorp een openbare lagere school met onderwijswoning te gaan bouwen.

In 1889 begint de bouw van de openbare lagere school met onderwijswoning aan de Rector Hulshofstraat 4. Op 30 januari 1890 wordt de school geopend, in het begin met één leerkracht (de heer G. van de Berk), later dat jaar als tweemansschool. In 1913 telt de school 99 leerlingen. In mei 1914 wordt een derde leerkracht aangesteld.

Op de voorgrond vlnr Fried Nijs, Wim Nijs, Marie Nijs. Personen op de achtergrond zijn onbekend.
1921
Vlnr bovenste rij  Aloys Wieggers (Toebesboer), Jan Meulenbeek, Bernard Stoltenborg (Lodiek)
2e rij  Tone Meekes (Aagteman), Frans Reinders (Stoetpater), Bernard Wopereis (Kronenborg), Herman Wolterink (Molders), Jan Kolkman (Bartels), Jan Domhof (Tuutensnieder), Jan Sprenkelder (Teune)
3e rij  Meester Stottelaar, meester Nijs, Johan Kampshof (Kempkens), Herman Meulenbeek, … Eitink (Hent), Antoon Kampshof (Kempkens)
4e rij  Drieka Wieggers (Wilhelmus), Leida Schutten, Marie ten Have (Reinder), Anna te Veele (Koolman), Riek Diks, Toos Diks, Mina Wopereis (Dreier), Drieka Wolters (Mullas), Tone Meulenbeek, Tone Wieggers, Wilhelm Stoltenborg (Lodiek)
5e rij  Marie Meekes (Aagteman), Dien Tankink (Achterbos), Herman Doppen (Scheerbaas), Jan Doppen (Scheerbaas), Herman Kock (Hent), Herman Kampshof (Kempkens), Gert Kampshof (Kempkens), Bernard Kampshof (Kempkens), Leis ten Have (Reinder), Tone Stoltenborg (Lodiek)
Onderste rij  Anna Wolters (Mullas), Anna Wieggers, Tonia Elshof (Gotten), Anna Doppen (Scheerbaas), Lina Kock (Hent)

In 1920 wordt het verzoek om twee lokalen te mogen bijbouwen door het ministerie in Den Haag afgewezen. Daarop stelt het kerkbestuur in 1921 grond beschikbaar naast de kerk voor de bouw van een nieuwe school.

In augustus 1922 wordt het nieuwe gebouw met 4 lokalen aan de Kerkstraat betrokken. Naast de school staat de onderwijzerswoning, waar het hoofd van de school de heer Nijs, zijn intrek neemt. Het is dan nog steeds een openbare lagere school.

Mei 1923
 Staand voor het huis  Anneke Alferink
Op de straat vlnr  opoe Alferink, Christien Alferink, Marie Nijs, Hein Alferink, neef Huub uit Gendt met een vriendje.
Rechts van de straat  opa Hubertus Nijs

Als in 1930 het RK Kerkbestuur aan de gemeenteraad kenbaar maakt dat zij voornemens is een RK school te stichten, wordt overeengekomen de bestaande openbare school daartoe beschikbaar te stellen. Op 1 september 1930 wordt het personeel van de opgeheven openbare lagere school ontslagen en direct door het RK Kerkbestuur herbenoemd aan de katholieke school welke de naam Canisiusschool gaat dragen.

Onderwijsteam 1932 links achter meester Nijs, rechts achter meester Kamphuis. Links voor juf Jacobs, rechts voor juf Huinink.

Klas 4 en 5 1936 – 1937
Trees Wolters (Neums), Annie Domhof (Joost), Dinie de Mooy, Marietje Wopereis (Boers), Thea Wolters, Fiene Mensink (Niklaos), Trui Bongers, Willemien Goossens, Lien Mensink, Dora Immink, Marie Hummelink, Marie Hummelink (Sassen), Marie ten Have (Dreier), Meester Kamphuis, Bernard Tankink (Meuen), Joop Meulenbeek, Jan Krabben (Zwarte Jan), Aloys Hogenkamp, Willem Waenink,  Anton klein Hemmink, Anton Tankink (Meuen), Joop Kolkman (Boer), Willem Krabben (Reinas), Fried Ebbers, Anton te Molder, Theo Wolters (Lindeboom), Willem Wolters (Schutten), Bernard ten Have (Moezebulte), Jan Kampshof (Heide), Joop Kampshof (Heide), Gert Waenink (Platen), Hans Thielen, Albert Heuthorst, Anton Elschot (Papenborg)

Klas 4 en 5 1936 – 1937
Klas 4 en 5 1936 – 1937
1939
1939

In 1946 telt de school 190 leerlingen. Er zijn dan 5 leerkrachten verbonden aan de school.

Onderwijsteam 1946. Links achter meester Kamphuis, rechts achter meester Diesveldt, links voor juf de Ponti, meester Nijs, juf Jacobs.
Onderwijsteam 1954 Vlnr juf Mulder, juf Manschot, meester Diesveldt, meester Kamphuis, meester Sprenkelder

Harreveld groeide en het gebouw was wederom te klein. Op 1 september 1955 startte de school voor het eerst met zes leerkrachten. Vijf groepen kregen les binnen het bestaande gebouw. Eén groep kreeg les in een houten noodlokaal op het schoolplein.

Het eerste kleuteronderwijs in Harreveld werd gegeven vanaf januari 1958 en vond plaats in een met zachtboard afgezet deel van zaal Wieggers aan de Kerkstraat. Het onderwijs werd hier gegeven door Tiny Nijs. (Er zijn dan al plannen voor het bouwen van een kleuterschool aan de Looweg)

Kleuteronderwijs bij zaal Wieggers (Toebesboer) met juf Tiny Nijs

Was de zaal van Toebesboer nodig voor een bruiloft, koffietafel, toneeluitvoering of carnaval dan moest het kleuterschooltje even wijken. De meubels werden dan opgeslagen in het naastgelegen kippenhok en de kleuters bleven een dagje thuis.

Kleuteronderwijs bij zaal Wieggers (Toebesboer)

In de winter van 1961-1962 brak een fikse brand uit bij Toebesboer. Als gevolg hiervan werd het kleuteronderwijs verplaatst naar de Looweg. Omdat de bouw van de kleuterschool vertraging op heeft gelopen worden de kleuters tijdelijk gehuisvest in een houten barak ‘de Bijenkorf’ op het terrein aan de Looweg. Deze barak is vrijgekomen bij de Canisiusschool en verplaatst naar de Looweg.

De Bijenkorf aan de Looweg.

In februari 1965 wordt kleuterschool ‘de Paddenstoel’ geopend. De barak blijft wel gewoon in gebruik, als extra kleuterlokaal.Het nieuwe gebouw bestaat uit 1 lokaal en behoeft al snel uitbreiding.In 1973 wordt een tweede lokaal in gebruik genomen.

Kleuterschool de Paddestoel, Looweg.
Interieur de Paddestoel.

In 1985 werd de Wet op het basisonderwijs ingevoerd. Kleuterschool en lagere school worden samengevoegd tot een nieuwe onderwijsvorm voor kinderen van vier tot twaalf jaar, de basisschool.

De kleuterklassen en de klassen 1 t/m 6 verdwenen. Daarvoor in de plaats kwamen een onderbouw en een bovenbouw, verdeeld over de groepen 1 t/m 8. Kinderen zijn voortaan vanaf 5 jaar leerplichtig. Alle kinderen dienen ook op één locatie te worden ondergebracht. Na een verbouwing werden de kleuters op 30 juni 1986 met versierde karren, wagentjes en kruiwagens van de Looweg naar de Kerkstraat gebracht.

Verbouwing in 1986

3 April 1996 verhuisden de leerlingen van de onderbouw naar dorpshuis ’t Kempken vanwege een grote verbouwing. Daar werd tijdelijk les gegeven in drie zalen die waren omgebouwd tot leslokaal. In februari 1997 was de gigantische klus geklaard door een leger van enthousiaste vrijwilligers. Het team en leerlingen konden aan de slag in een prachtig nieuw gebouw met 6 leslokalen, een computerlokaal, een handenarbeidlokaal, een speelzaal, een overdekte zandbak, een prachtige aula en diverse kleine kamertjes en bergingen.

De computers hadden ook in het basisonderwijs hun intrede gedaan. De ontwikkelingen op het gebied van ICT gingen snel en enkele jaren later werden de krijtjesborden vervangen door digiborden.

Omdat het aantal leerlingen de laatste 10 jaar terugliep kwamen er enkele lokalen vrij. Inmiddels wordt een kleuterlokaal gebruikt door peuterspeelzaal ’t Kelderke. In een van de lokalen op de eerste verdieping is de “Bieb Op School” gevestigd. En op dinsdag wordt daar les gegeven in de “Paraatklas”, waar hoogbegaafde leerlingen van verschillende Paraat scholen  “passend onderwijs” krijgen.

Momenteel zitten er zo’n 75 leerlingen op de Canisiusschool, verdeeld over vier groepen. Daarnaast is er ook een leerkracht voor extra ondersteuning. 

Ook op bestuurlijk gebied is er veel veranderd. Tot 1997 had de school een eigen schoolbestuur. In dat jaar is de Canisiusschool gefuseerd met de katholieke scholen in Lichtenvoorde en de kerkdorpen van Lichtenvoorde. Vanaf 1 augustus 2021 zijn Reflexis Openbaar Basisonderwijs en Stichting LIMA gefuseerd tot Stichting Samenwerkingsbestuur Paraat scholen.

Op 9 oktober 2022 werd het 100 jaar bestaan van de Canisiusschool gevierd.

Opgemaakt oktober 2022 n.a.v 100 jaar Canisiusschool

Bron: Boek: Een nostalgische GEVEL en het verhaal erachter. Aangevuld met tekst van dhr. Jacques Jansen

Onze Jongens in Indië

Door: Henry Tankink

De presentatie begon met een bijzondere uitvoering van ‘Indonesia Raya’, het Indonesische volkslied.

Het refrein van het Indonesische volkslied:

Indonesia Raya
Merdeka, Merdeka
Tanahku, negriku yang kucinta
Indonesia Raya
Merdeka, Merdeka
Hiduplah Indonesia Raya

Vertaald:

Groot Indonesië
vrij, onafhankelijk
Mijn thuis, mijn land dat ik liefheb
Groot Indonesië
vrij, onafhankelijk
Leve Groot Indonesië

Het lied wordt gezongen door een kind. En zo keek de Nederlandse regering destijds ook aan tegen de inheemse bevolking van Nederlands-Indië. Die werd gezien als onvolwassen en (nog) niet in staat om zichzelf succesvol te besturen. Voorlopig zou de helpende hand van Nederland nog hard nodig zijn en was onafhankelijkheid voor Indië dus ondenkbaar.

Het filmpje laat mooi zien hoe de Indonesische bevolking eensgezind het vrijheidsideaal omarmt. En dat was ook al het geval in de periode kort na 1945. Nederland wilde het niet zien, maar de jongemannen die naar Indië werden gestuurd merkten het gauw genoeg.

De presentatie was aangekondigd in de ELNA van woensdag 27 februari 2019.

Dit zijn de foto’s waarover in het ELNA artikel wordt gesproken.

Na de introductie werd een overzicht gegeven van de geschiedenis van Nederlands-Indië vanaf 1596. Daarbij is gebruik gemaakt van veel afbeeldingen, audio- en videomateriaal. Hierna volgt een overzicht van een groot deel daarvan, met telkens enige toelichting.

De specerijenhandel en de bloeitijd van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) kwam pas na 1596 op gang. Hoewel af en toe bloedig geweld gebruikt werd was van het bezetten van héél Indië nog geen sprake. Dat was voor de handel niet nodig.

Hierin kwam verandering in de negentiende eeuw, toen de VOC niet meer bestond en de Nederlandse regering Indië meer en meer als een kolonie ging behandelen. Steeds meer Nederlanders vestigden zich in Indië en stichtten daar plantages en andere bedrijven, die dienstbaar waren aan de economische ontwikkeling van het moederland.

Onderstaand kaartje geeft daarvan een goed beeld.

Hoe de Nederlanders heel Indië bezet hebben is goed te zien in een aangrijpende scene (niet geschikt voor jeugdige kijkers) in de film Max Havelaar uit 1976. De hele film is de moeite waard, maar de bedoelde passage (die ook in de presentatie werd gebruikt) duurt ongeveer van 2:28:40 tot 2:32:00.      

Het veroveren werd gedaan door het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), dat voor zo’n 20% uit Europeanen bestond en voor de rest uit inheemse soldaten. Hun optreden is vergelijkbaar met (bijvoorbeeld) hoe het Amerikaanse leger in dezelfde eeuw het ‘Wilde Westen’ in bezit nam, ten koste van de inheemse bevolking (de ‘Indianen’). Zoiets werd in die tijd als gerechtvaardigd en min of meer normaal beschouwd.

Rond 1930 werden zo’n 50 miljoen inheemsen, met behulp van 37.000 man KNIL, overheerst door 60.000 Nederlanders en 160.000 ‘Indo’s’ (kinderen van Europese vaders en inheemse moeders).

Hoe paradijselijk Indië toen op het eerste gezicht was toont dit filmpje uit 1941 (kort voordat Japan binnenviel en ook hier de Tweede Wereldoorlog begon).

In de presentatie is alleen de passage van 6:20 tot 11:20 gebruikt, ondersteund door toe-passelijk klinkende muziek (alleen de audio) van:

In werkelijkheid was het nationalistisch verzet, vooruitlopend op wat na 1945 zou komen, al volop aan de gang. Leiders als Soekarno en Hatta zaten regelmatig gevangen en vooral de inheemse jeugd keerde zich meer en meer af van de ‘Belanda’s’ (zoals ze de ‘Hollanders’ noemden). Dat laatste is mooi weergegeven in een passage uit de film Oeroeg uit 1993.

De bedoelde scene duurt ongeveer van 1:20:30 tot 1:22:10, maar de hele film geeft een goed beeld van de verhoudingen en gebeurtenissen in Nederlands-Indië kort vóór en vlak ná de Tweede Wereldoorlog.   

Een adequate samenvatting van de bemoeienis van Nederland met het latere Indonesië in de jaren 1945-1950 biedt deze documentaire.

De toestand in Nederland vlak na de Tweede Wereldoorlog wordt hierin behandeld, in samenhang met het optreden van de Nederlandse regering die vreesde dat Indië ‘verloren’ zou gaan. In de presentatie zijn alleen enkele passages hieruit gebruikt, maar de documentaire is als geheel zeer aanbevelenswaardig.

In de propaganda van de Regeringsvoorlichtingsdienst (voorloper van de Rijksvoorlichtings-dienst) werd gesuggereerd dat de Nederlandse militairen in Indië werden ontvangen als vrienden en bevrijders. Een mooi voorbeeld hiervan was te zien in de hiervoor genoemde documentaire, ongeveer van 41:50 tot 42:40.

De werkelijkheid was anders, zoals bijvoorbeeld te zien is in gedeelten van twee (door henzelf gemaakte) filmpjes van het optreden van Nederlandse mariniers op Oost-Java, 1945-‘46.

In de presentatie is alleen het eerste filmpje gebruikt, ongeveer van 8:35 tot 11:10.

In 1969 sprak Indiëveteraan Joop Hueting als eerste over oorlogsmisdaden die in Indië waren begaan. Dat leverde hem bijval op van enkele collega’s, maar ook doodsbedreigingen voor hem en zijn gezin. De meeste veteranen deden er liever het zwijgen toe; ze wisten dat Hueting gelijk had, maar ze praatten er niet graag over.

Na zijn overlijden in 2018 was Joop Hueting weer heel even landelijk nieuws:

Dat Hueting de waarheid had gesproken wisten insiders in 1969 allang, maar ‘de samenleving’ was er blijkbaar nog niet aan toe. En zelfs toen Rémy Limpach in 2016 met zijn boek De Brandende Kampongs van Generaal Spoor kwam, wist de regering blijkbaar niets beters te bedenken dan een nieuw onderzoek te laten doen, om erkenning van de ongemakkelijke waarheid nog maar weer wat verder voor zich uit te schuiven.

Limpach toonde na jarenlang minutieus wetenschappelijk onderzoek overtuigend aan dat oorlogsmisdaden in Indië niet enkel excessen waren, maar dat sprake was geweest van systematisch en extreem gewelddadig optreden. De verantwoordelijkheid hiervoor legt hij vooral bij de leidinggevenden, die handelden in de tradities van het KNIL (denk aan het eerder besproken fragment uit de film Max Havelaar). Deze vuurvreters beschouwden de dienstplichtige jongens uit Nederland gewoonlijk als een blok aan hun been; veel te soft en eigenlijk onbruikbaar voor de strijd tegen de fanatieke nationalisten. Limpach meent dan ook dat we het overgrote deel van de Indië-veteranen niet als oorlogsmisdadigers mogen zien. Ze werden tegen wil en dank een oorlog in gesleurd en kwamen daar ook nog eens tussen twee vuren te zitten. Hoeveel keus heb je dan als je het er levend af wilt brengen?   

Voor wie een geschikt boek hierover wil lezen is De Brandende Kampongs overigens geen aanrader. Het is met zijn uitvoerig notenapparaat en vele verwijzingen een typisch wetenschappelijke publicatie; heel goed bruikbaar als naslagwerk, maar (ook door zijn omvang van 870 bladzijden) geen plezierig leesboek.

Twee boeken, uit het enorme aanbod over het onderwerp, die ik wel kan aanbevelen:

Op klompen door de Dessa (uit 2015) vertelt de verhalen van een kleine twintig Friese Indië-veteranen, opgetekend door een schrijver die ons door de ogen van die veteranen laat kijken. Ik vermoed dat de belevenissen van de Achterhoekse en dus ook de Harreveldse veteranen hier niet noemenswaardig van zullen hebben afgeweken. De verhalen zijn heel verschillend en over het algemeen zeer verhelderend. Sommige zijn ronduit hartverscheurend.

Liefde in Tijden van Oorlog (uit 2013) gaat over de naar schatting 7000 kinderen die geboren zijn uit relaties tussen Nederlandse militairen en inheemse vrouwen en meisjes. Veel van die kinderen kenden hun vader alleen van een vergeeld fotootje en hebben soms zelfs tevergeefs geprobeerd in contact te komen met hun biologische familie in Nederland.

De schrijfsters van het boek hebben heel wat van die kinderen gesproken, en soms ook een of beide ouders. Behalve een fascinerend boek leverde hun project ook een website op, om dit soort contacten te bevorderen:   https://oorlogsliefdekind.nl/

Al eerder stelden ze het onderwerp aan de orde in een uitzending van Andere Tijden uit 2010:

https://anderetijden.nl/programma/1/Andere-Tijden/aflevering/231/Tuan-Papa

Een lezenswaardig boek over de Indië-veteranen uit de vroegere gemeente Lichtenvoorde is: Henny Bennink, Bezetting en Verzet II, uitgeverij Fagus, IJzerlo 2007, vanaf pagina 81.

De tien Harrevelders die in Nederlands-Indië vochten

Andere Harrevelders die in Nederlands-Indië verbleven

Hendrik Wolters en Anna Waenink (in Harreveld beter bekend als Lindebooms Hendrik en Platen Hanne) vertrokken begin 1919 voor hun ‘grote avontuur’, zoals ze dat zelf noemden. Wolters ging werken voor het KNIL, eerst als militair, later als burger (werktuigkundige). In 1948 keerden ze voorgoed terug naar Nederland en vestigden zich weer in Harreveld. Over hun belevenissen schreef Wolters een boek dat hij in eigen beheer uitgaf.

Riek Stoltenborg of zuster Maria Gerardiana (in Harreveld beter bekend als Weggelas Drika) vertrok in 1934 naar Indië, om daar als onderwijzeres te werken. Ze werd zelfs Indonesisch staatsburger in de tijd van Soekarno, om niet het land uitgezet te worden. In 1972 keerde ze uit vrije wil definitief terug naar Nederland.

Gerda van den Berg werd in 1940 als Gerda Poos geboren op het eiland Banka, ten oosten van Zuid-Sumatra. Haar vader werd in 1941 gemobiliseerd om te vechten tegen Japan, dat Nederlands-Indië aanviel en bezette. Hij werd krijgsgevangen genomen, kwam als dwangarbeider terecht in een mijn in Japan en overleed daar in 1943.

https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/121543/alphonsus-petronella-poos

Gerda heeft haar vader dus eigenlijk nooit gekend. Met haar grootouders verhuisde ze naar Nederland. Later kwam ze min of meer bij toeval terecht in Harreveld, waar ze samen met haar man al vele jaren woont.

De enige foto die Gerda Poos heeft van zichzelf samen met haar vader (1940).

Twee Harreveldse dienstplichtigen in Nieuw-Guinea

Het drama van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog kreeg nog een staartje tussen 1960 en 1962. Toen voormalig Nederlands-Indië in 1949 onafhankelijk werd, bleef Nieuw-Guinea onder Nederlands bestuur. Maar Soekarno zou niet rusten voordat ook ‘Irian Barat’ (zoals hij het noemde) bij Indonesië werd gevoegd.

Dat gebeurde uiteindelijk in 1963. Kort daarvoor kwam het nog bijna tot een nieuwe oorlog met Nederland. Onder de duizenden Nederlandse dienstplichtigen, die toen naar Nieuw-Guinea werden gestuurd, waren ook:

Bennie Diks
Fons Krabben

Tot slot

De presentatie werd afgesloten door stil te staan bij de slachtoffers van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, en speciaal bij een van hen.

Aantallen slachtoffers in Nederlands-Indië, 1945-1950:

Indonesische burgers en militairenca. 100.000
Nederlandse burgers5.000 à 30.000
Nederlandse militairen4.751

Eén Harreveldse dienstplichtige keerde niet terug uit Indië. Aloys Tankink sneuvelde op 20 januari 1947, amper drie weken na zijn eenentwintigste verjaardag. Hij werd beschoten tijdens een patrouille in een jeep en overleed aan zijn verwondingen in het hospitaal in Semarang. De familie kreeg via burgemeester en pastoor te horen dat hij was bezweken aan malaria. Later kwam dankzij toenmalige strijdmakkers de ware doodsoorzaak aan het licht, maar officiële instanties hebben die nooit kunnen of willen bevestigen.

Voor alle slachtoffers, en speciaal voor Aloys Tankink, werd (een gedeelte van, alleen de audio) ‘The Last Post’ ten gehore gebracht.

Om het publiek niet helemaal in mineur naar huis te laten gaan werd daarna (alleen de audio van) ‘Arm Den Haag’ afgespeeld.

https://www.youtube.com/watch?v=-q2cjMKG1mI

Op verzoek van de presentator werd het refrein zachtjes meegezongen door de aanwezigen:

Ach kassian, het is voorbij, kassian, het is voorbij
Den Haag, Den Haag, de weduwe van Indië ben jij

Onderzoek ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’

Onderstaande aanvulling is geschreven door Henk Krabben, die sinds 1988 met grote regelmaat Indonesië bezoekt en er vele contacten heeft en spreekt met diverse lagen en achtergronden van de bevolking tot op overheidsniveau.

Op donderdag 17  februari 2022 is de presentatie is geweest van het grootschalig onderzoek naar de dekolonisatie in Indonesië. De titel van dat onderzoek is: “Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950” en is een gezamenlijk onderzoeksprogramma van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies. Daarin wordt gekeken naar het militaire geweld dat tussen 1945 en 1950 werd gebruikt in de voormalige Nederlandse kolonie. Bij de onafhankelijkheidsoorlog sneuvelden naar schatting 5000 Nederlandse militairen en 100.000 Indonesiërs.

De Indonesische regering en vrijwel de gehele bevolking van Indonesië hebben het Nederlandse overheersingsverleden allang ver achter zich gelaten en men focust zich op de toekomst. Het recente onderzoek en rapport in opdracht van de Nederlandse Regering wordt daarom in Indonesië niet begrepen. Als je hierover met Indonesiërs spreekt reageert iedereen verbaasd: “Waarom is men in Nederland nog steeds met het verre koloniale- en haar oorlogsverleden bezig ?  Dat is een gesloten boek !”

De algemene reactie in Indonesië is: er is in het verleden door de Nederlandse regering al excuus aangeboden voor het koloniale- en oorlogsverleden. Op uitnodiging van de Indonesisch President Mr. Joko Widodo, bracht het Nederlandse Staatshoofd in 2020 een Staatsbezoek aan Indonesië. Tijdens het Staatsbezoek van Koning Willem Alexander en Koningin Maxima aan Indonesië heeft Koning Willem Alexander direct op de eerste dag van het Staatsbezoek, op dinsdag 10 maart 2020, de volgende toespraak gehouden: (de toespraak is in het Engels uitgesproken, en onderstaand hiervan een samenvatting)

V.l.n.r. Koningin Maxima, Koning Willem Alexander, President van Indonesë Mr. Joko Widodo , en zijn vrouw Iriana Joko Widodo.

Meneer de President,

Voor mijn vrouw en mij is het een groot voorrecht Uw gast te mogen zijn. Wij hebben elkaar in de afgelopen jaren al goed leren kennen. Dit Staatsbezoek is voor ons de bevestiging van de warme band die tussen ons is gegroeid. Wij kijken ernaar uit de band met U en Uw land nóg hechter te maken.

Meneer de President, op 17 augustus (2020) is het 75 jaar geleden dat Indonesië met de “Proklamasi” (uitgesproken door Soekarno op 17 augustus 1945) zijn plek claimde tussen de onafhankelijke en vrije staten. De Nederlandse regering heeft dit gegeven 15 jaar geleden uitdrukkelijk aanvaard in politieke en morele zin. Wij feliciteren de bevolking van Indonesië van harte met de viering van 75 jaar onafhankelijkheid.

Wij verheugen ons op de komende dagen. Ons bezoek heeft een prachtig, toekomstgericht programma. Tegelijkertijd is het goed dat wij onze geschiedenis onder ogen blijven zien. Het verleden kan niet worden uitgewist en moet door iedere generatie opnieuw worden onderkend.

In de jaren direct na de “Proklamasi” volgde een pijnlijke scheiding die aan velen het leven heeft gekost. Voor geweldsontsporingen van Nederlandse zijde in die jaren wil ik hier nu, in navolging van eerdere uitspraken van mijn regering, mijn spijt uitspreken en excuses overbrengen. Dit doe ik in het volle besef dat de pijn en het verdriet van de getroffen families generaties lang voelbaar blijven.

Het is hoopvol en bemoedigend dat landen die ooit tegenover elkaar stonden, naar elkaar toe konden groeien en een nieuwe relatie konden ontwikkelen gebaseerd op respect, vertrouwen en vriendschap. De verbindingen tussen ons worden steeds veelzijdiger en krachtiger. Dit doet mij intens plezier. En ik weet dat dit gevoel in Nederland breed wordt gedeeld.

Zoveel mensen in Nederland voelen een diepe verwantschap met Indonesië! Wij zijn dankbaar dat een groeiend aantal jonge Indonesiërs ook interesse toont voor ons land. We zien het aan de studenten die naar ons land komen om te studeren. We zien het vooral aan de hechte samenwerking in de wetenschap, de economie, het waterbeheer en de bescherming van natuur en klimaat.

Meneer de president, wij hebben Indonesië nodig. Indonesië is lid van de G20 en een voortrekker binnen de ASEAN. Het is een positieve kracht op het gebied van veiligheid en stabiliteit in Zuidoost-Azië. Het is nu lid van de VN-Veiligheidsraad en de Mensenrechtenraad.

Als de op twee na grootste democratie ter wereld en één van de grote economieën van Azië, heeft U een toonaangevende rol, onder andere bij de gezamenlijke inzet voor de internationale rechtsorde.

Indonesië heeft een lange traditie van religieuze tolerantie en kan een constructieve rol spelen. Het is belangrijk om samen te blijven werken aan vrede, recht en bescherming van minderheden, op basis van respect voor soevereiniteit en territoriale integriteit.

Wij trekken heel graag samen met U op!

De algemene opvatting in Indonesië is dat met het Staatsbezoek van Koning Willem Alexander en zijn toespraak waarin spijt is uitgesproken en excuus is aangeboden, “het boek van het verleden” definitief gesloten is. In Indonesië wil men niets liever dan de intensieve vriendschappelijke relatie met Nederland verder verdiepen en uitbouwen op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect.

Veldnamen

Klik hier om direct naar het veldnamen overzicht te gaan.

Wat zijn veldnamen?

Mensen geven overal namen aan. Dat is een manier om de dingen uit elkaar te houden, om te laten zien dat je ze goed kent of dat ze jouw eigendom zijn. Ook stukken land krijgen gewoonlijk een naam. In zo’n geval spreken we van veldnamen; niet te verwarren met erf- of boerderijnamen. Deze beschrijving is ontleend aan M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland Alle voorbeelden in de volgende tekst zijn veldnamen die (ook) in Harreveld voorkomen.

Er zijn vele soorten veldnamen. Sommige geven de hoge of lage ligging aan. Harreveldse voorbeelden hiervan zijn ’t Hogestukke , de Laegte en Hammengat . Andere zeggen iets over de bodemgesteldheid. Kostverloren, bijvoorbeeld, betekent niet-erg-vruchtbaar.

Soms verwijzen veldnamen naar de (vroegere) begroeiing van het perceel, bijvoorbeeld ’t Heetland (heide), ’t Russenland (biezen) en Weggelas zienen pos (gagel), of hebben ze te maken met het (vroegere) gebruik ervan, zoals d’n Akker, d’n Reuvenkamp Ooimansweide.

Er zijn ook namen die aangeven welke dieren er in het gebied huisden (of huizen), zoals d’n Moezenbulte, de Knienenwrange en de Kranemaot, of er werden (of worden) geweid, bijvoorbeeld de Koomaot, d’n Schaopenbulte of ’t Hengstenslat.

Weer andere zijn ontleend aan de vorm van het land, zoals ’t Breë-ende, d’n Hollenkamp, Trienentute en ’t Veugelstrik , aan de grootte van het perceel, bijvoorbeeld Möllaszaod (een mölder is 4 schepel), of aan de positie, bijvoorbeeld d’n Egterstenkamp en ’t Oosterstukke.

In veldnamen blijft soms ook de naam van de (vroegere) eigenaar of gebruiker bewaard, zoals in Mellinkriette , Geeskes-Mienekensbos Toebeskamp, Baertenbulte en Keizersweide .

Veldnamen bevatten dus een schat aan informatie. Helaas zijn ze, onder meer door de ruilverkaveling in de jaren 1970, langzamerhand wat in onbruik geraakt. Alleen al omdat ze zo’n geweldige bron van historische kennis van de streek zijn, mogen ze niet verloren gaan.

Hoe zijn de Harreveldse veldnamen bewaard gebleven?

Het meeste verzamelwerk is gedaan in 1983 en 1984. Met oude kadasterkaarten onder de arm ging ik op bezoek bij mensen van wie ik veel informatie verwachtte. Meestal stelden ze mij niet teleur. Ik kon heel wat veldnamen op de kaarten noteren. Vaak vertelden die informanten nog veel méér over vroeger. Voor zover mogelijk heb ik dit verwerkt in hoofdstuk 4 (dat verder vooral gaat over boerderij- en familienamen en dus strikt genomen niet echt bij het onderwerp hoort). Ik denk met genoegen terug aan de gesprekken van toen, want ik heb er heel veel van opgestoken.

Toen ik in 1983 begon met verzamelen was ik werkloos en had dus tijd genoeg. Later kwam daar verandering in. Meer dan vijftien jaar lang bleven de kaarten in een doos opgeborgen. Pas in het jaar 2000 kwamen ze weer tevoorschijn en toen ontstond ook het idee voor deze publicatie. De inventarisatie is indertijd nauwgezet en grondig aangepakt, maar dat garandeert natuurlijk nog niet dat hij feilloos en volledig is. Deze publicatie voorkomt in elk geval dat de toen-verzamelde kennis verloren gaat. Aanvullen en verbeteren kan altijd nog. Uw reacties zijn (ook om die reden) van harte welkom op: h.tankink1@chello.nl

Ik draag deze pagina’s op aan mijn toenmalige informanten. Hun namen staan hieronder genoemd. Alleen dankzij hun medewerking heb ik dit kunnen maken. Inmiddels zijn de meesten van hen niet meer in leven, zodat ze het resultaat nooit hebben kunnen zien. Maar ik geloof vast dat ze er trots op zouden zijn geweest.
Ook ben ik dankbaar voor de hulp van Erik Rietberg. Hij wees mij de weg wanneer ik verdwaalde in computerland. Waar zou een digibeet zijn zonder whizzkid?

Oudheidkundige vereniging Harvelt 2022